8
Waterinbraak
Water onder de grond beheersen behoorde altijd al tot de grootste uitdagingen van de mijnbouw. Om overstroming van de mijnen te voorkomen, ontwikkelden de mijnwerkers uitgekiende ontwateringssystemen en pompmechanismen. Waterafvoergalerijen – zoals de galerij van de Feengrotten – leiden het mijnwater tot op de dag van vandaag veilig uit de mijn.
Meer informatie:
Water dringt elke mijn binnen – soms in aanzienlijke hoeveelheden. Als het niet continu wordt afgevoerd, verzamelt het zich onder de grond en kan het een mijn overstromen. Het beheersen van het water was daarom altijd al een van de belangrijkste voorwaarden voor een veilige en succesvolle mijnbouw.
Het water komt op verschillende manieren in de mijn. Een deel komt van neerslag die door het gesteente tot in de mijn sijpelt. Ook hier in de Feengrotten is dit verschijnsel te zien: nog weken na hevige regenval of het smelten van sneeuw druppelt op sommige plekken water van het plafond – bijna als een ondergrondse regenbui.
Een andere waterbron is het grondwater. Als bij de afbouw een watervoerende gesteentelaag wordt aangesneden, kan plotseling een grote hoeveelheid water de mijn binnendringen. Zo’n gebeurtenis wordt een waterinbraak genoemd en behoorde tot de grootste gevaren van de mijnbouw.
In het begin droegen zogenaamde waterdragers het mijnwater moeizaam in emmers, kuipen of potten uit de mijn. Vanaf de 14e eeuw werden steeds vaker technische hulpmiddelen ingezet – aanvankelijk aangedreven door mensen of paarden, later ook door waterkracht.
De belangrijkste voorziening voor de ontwatering was de waterafvoergalerij. Deze lag op het laagste begaanbare niveau van de mijn en leidde het water alleen door het natuurlijke verval naar buiten. De waterafvoergalerij van de Feengrotten vervult deze taak tot op de dag van vandaag: zijn water stroomt slechts enkele meters hiervandaan in de Arnsgereuther Bach.
Sinds het begin van de mijnbouw verbonden ladders en uit boomstammen vervaardigde trappen de verschillende niveaus van een mijn met elkaar. Naast de waterbeheersing vormde vooral het transport van het gewonnen gesteente een grote technische uitdaging.
Al aan het begin van de 12e eeuw werden eenvoudige hijslieren ingezet. Aan een touw hing een houten transportemmer die door het oprollen van het touw op een horizontaal geplaatste trommel op en neer werd gelaten. De lier werd bediend door een speciaal daarvoor ingezette arbeider, de lierknecht. Hij vervoerde het erts van het ene niveau naar het volgende. Voor het verdere transport tot aan de oppervlakte werden vaak ook jongens ingezet. Zij droegen het erts op metalen platen of in slangachtige leren zakken uit de mijn.